
Toen in 1881 de eerste telefoonnetten in Nederland werden ingevoerd, was telefoneren nog allesbehalve vanzelfsprekend. Slechts een kleine groep bedrijven en instellingen beschikte over een aansluiting. Voor de gewone burger bleef het een luxe die vaak buiten bereik lag.
Toch ontstond al snel de behoefte om ook onderweg of buitenshuis te kunnen bellen. De eerste oplossing daarvoor kwam in de vorm van zogenaamde spreekcellen. Dit waren eenvoudige hokjes met een losse telefoon, vaak geplaatst op spoorwegstations en tramhaltes. Later verschenen ze ook in postkantoren en bij grote evenementen. Zo stonden er in 1903 zelfs tijdelijke spreekcellen op het Malieveld in Den Haag tijdens een grote paardententoonstelling.
Deze spreekcellen vormden de voorloper van wat later een vertrouwd straatbeeld zou worden.
Van spreekcel naar straatbeeld
De echte doorbraak kwam in 1931, toen in Amsterdam op het Valeriusplein de eerste officiële straattelefooncel van Nederland werd geplaatst. Deze cel had een herkenbaar ontwerp, enigszins vergelijkbaar met de Engelse telefooncel, maar uitgevoerd in een lichtere, beige kleur.
Drie jaar later, in 1934, volgde Apeldoorn.
In de winter van 1934 verscheen er ineens iets nieuws in het straatbeeld van Apeldoorn. Op een plek waar dagelijks mensen voorbij liepen, op de hoek van de Stationsstraat en de Deventerstraat bij het Marktplein, stond plots een opvallend hokje. Geen kiosk, geen wachthuisje, maar iets wat tot dan toe nauwelijks iemand in het echt had gezien. Een openbare telefooncel.
Voorbijgangers bleven staan, keken nieuwsgierig naar binnen en probeerden te begrijpen hoe het werkte. Sommigen durfden het aan om een dubbeltje in te werpen en een gesprek te voeren, anderen hielden het bij toekijken. Het idee dat je zomaar, midden op straat, iemand kon bellen, zonder tussenkomst van een kantoor of zonder zelf een telefoon te bezitten, voelde voor velen bijna ongelooflijk.
Niet lang daarna volgde een tweede telefooncel, ditmaal aan de Loolaan. Daarmee werd duidelijk dat dit geen experiment was, maar het begin van iets groters. Apeldoorn werd stap voor stap aangesloten op een nieuwe manier van communiceren, eentje die het dorp dichter bij elkaar bracht.
Wat voorheen alleen mogelijk was via bedrijven, postkantoren of welgestelde particulieren, kwam nu binnen handbereik van iedereen. Een boodschap doorgeven, een afspraak maken of in geval van nood hulp inschakelen, het kon ineens direct en zonder omwegen.
Hoe werkte zo’n telefooncel?
De eerste telefooncellen werkten met muntinworp. Wie wilde bellen, moest eerst geld inwerpen voordat de verbinding tot stand kwam. Dit maakte het systeem toegankelijk, maar bracht ook uitdagingen met zich mee.
Elke telefooncel had een eigen telefoonnummer, al werd dat in Nederland nooit openbaar gebruikt. In theorie was het dus mogelijk om een telefooncel te bellen, maar in de praktijk gebeurde dat vrijwel niet. In andere landen was dat gebruikelijker en soms zelfs handig, bijvoorbeeld voor iemand zonder geld of kaart.
Een bijzonder detail is dat er in het verleden lijsten met deze nummers zijn uitgelekt, onder andere via het hackerstijdschrift Klaphek. Sindsdien zijn deze nummers afgesloten voor inkomende gesprekken.
De rol van de telefoniste
In de beginjaren speelde de telefoniste nog een belangrijke rol bij het tot stand brengen van gesprekken. Vanuit een telefooncel was dat echter vaak lastig. In Nederland werden gesprekken via een telefoniste meestal niet aangeboden, tenzij het ging om een gesprek voor rekening van de ontvanger.
Dit systeem, ook wel collect call genoemd, werd soms misbruikt. Mensen probeerden op die manier gratis te bellen, terwijl de kosten uiteindelijk moeilijk te innen waren.
Kwetsbaar, maar onmisbaar
Hoewel de telefooncel een revolutionaire voorziening was, kende hij ook nadelen. Vooral de modellen met muntinworp waren gevoelig voor vandalisme en inbraak. Er werd regelmatig geprobeerd om geld uit de automaten te halen.
Om dit probleem te beperken, werd later de telefoonkaart ingevoerd. Daarmee verdween het contante geld uit de cellen en werd het systeem veiliger en betrouwbaarder.




