Links Hendrik en rechts Willem met een kruiwagen met wit zand, 1905
Mijn hele leven heb ik meer bijnamen gehad dan dat ik vingers aan mijn handen heb. Willem van Tongeren stond wel in de boeken, maar de mensen spraken mij anders aan. De naam die de meesten kennen is de kissieskerel. Zo noemden ze mij later, toen ik met mijn kistje langs de boerderijen trok om spullen te verkopen. Garen, knopen, lucifers, stukjes zeep. Alles paste er handig in. Toen ik oud werd, begonnen de mensen mij Olde Willem te noemen. Dat krijg je vanzelf als je lang genoeg rondloopt en iedereen je kent.
Maar thuis, toen ik nog klein was, noemden ze mij gewoon Willempie. Zo zei mijn moeder het altijd. Willempie.
Ik was een kleine jongen, niet groot en niet sterk, maar wel altijd vrolijk. Ik liep meestal rond in te grote kleren die eerst van mijn broers Albert en Peter waren geweest. Die kleren waren altijd te ruim en meestal ook niet schoon. Maar daar keek niemand vreemd van op. Zo zag je er op veel plekken uit.
Aan mijn voeten zaten klompen en op mijn hoofd stond bijna altijd een boerenpet. Zo liep ik daar als jongen rond.
Mijn geboorte en het gezin
Ik werd geboren op 20 januari 1864, vroeg in de ochtend in de plaggehut van mijn ouders in Epe. Het was winter en bitterkoud, vertelde mijn moeder later. Mijn vader Willem (naar wie ik vernoemd werd) trok zijn jas aan en liep diezelfde dag nog naar het gemeentehuis om mijn geboorte aan te geven. Met zijn pet diep over de oren tegen de wind.
Mijn ouders hadden in totaal tien kinderen. Ik was het achtste. Maar niet iedereen bleef leven.
In die tijd stierven kinderen vaak. Dat was verdriet waar mensen bijna aan gewend waren geraakt. Voor mijn geboorte waren al vier kinderen gestorven. Drie zussen, Petertje, Petertje en Teuntje, en een broer, Peter.
Mijn andere broer, Peter, die ik nog heb gekend, was naar hen vernoemd. Zo ging dat toen. Men hoopte dat het volgende kind met die naam het wel zou redden. Maar ook hij werd slechts vier jaar oud. Echt gekend heb ik hem niet, want ik was toen net één jaar oud, maar ik ken de verhalen wel, al praatten mijn ouders er nooit graag over.
Uiteindelijk bleven wij met vijf kinderen over. Mijn zus Hendrikje, mijn broer Albert, ikzelf en mijn broertje Hendrik en zusje Teuntje. Hendrik was naast mijn broertje ook mijn beste vriend. We deden alles samen. Zo sliepen we samen op een stro-mat, deden we alle klusjes die we kregen samen en later werkten we ook samen.
De plaggenhut
Mijn vroegste herinneringen horen bij de plaggenhut waarin wij woonden aan de Dellenweg in Epe. Dat was geen huis zoals mensen het nu kennen. De muren waren gemaakt van plaggen. Dat zijn stukken heidegrond met aarde en wortels eraan. Die werden op elkaar gestapeld tot een wand. Het dak bestond uit takken en plaggen.
Als het hard waaide, hoorde je de wind langs het dak fluiten. En als het regende, kon het water soms naar binnen sijpelen. De vloer was zand; na regen zat alles onder de modder. Binnen was het er koud en donker en in de zomer was het heet en zaten we onder de muggenbulten.
Mijn moeder strooide wit zand op de vloer en maakte met een bezem mooie krullen en strepen in het zand. Dat deden veel vrouwen toen, dat was voor ons sjiek. Voor mij was het allemaal maar vervelend, want wanneer ik binnenkwam en per ongeluk het patroon kapotliep, kreeg ik gelijk een klap. Ik zal de geur van mijn jeugd, rook en schimmel, nooit meer vergeten.
Slapen en wakker worden
We sliepen allemaal in dezelfde ruimte. Op strozakken die op de grond lagen. In de winter voelde het stro koud en vochtig aan. In de zomer kriebelde het door de stof heen. Mijn broers en ik lagen vaak dicht tegen elkaar aan om warm te blijven.
’s Morgens vroeg werden we wakker van het geluid van de geiten buiten. Hun zachte gemekker hoorde bij de ochtend. Wij hadden pech dat wij op onvruchtbare grond woonden. Des te meer waren die geiten heel belangrijk voor ons. Verder hadden we weinig.
Het leven op de Veluwe
Het land rondom ons huis bestond uit heidevelden, zandwegen en kleine akkers. De wegen waren vaak niet meer dan zandpaden. Als het droog was, stoof het zand onder de klompen. Als het nat was, bleef de modder eraan kleven. Karren trokken er langzaam overheen. Soms hoorde je in de verte het gerammel van wielen.
De lucht rook naar heide, houtrook en naar mest van de boerderijen. Dat was de wereld waarin ik opgroeide.
Zondag
De dagen waren allemaal hetzelfde, op één uitzondering na. De Zondag.
Dan ging het hele gezin naar de kerk. Dat hoorde zo. Iedereen ging. Mijn moeder zorgde dat we onze schoonste kleren aan hadden. Onze klompen werden met zand geschuurd tot ze weer licht glommen. De kerk was vaak koud. Vooral in de winter. Je zag soms de adem van mensen in de lucht. Maar het was ook stil en niemand zeurde.
Het geloof was belangrijk voor mij en mijn ouders. Mijn moeder zei vaak dat God alles zag en dat je eerlijk moest leven. Ook het koninklijk huis had bij ons groot respect. Als er over de koning werd gesproken, luisterden de mensen aandachtig. Dat waren mensen van boven, zei men. Daar sprak je netjes over.
Het werk van mijn vader
Mijn ouders werkten hard. In het voorjaar en najaar werkte mijn vader bij boeren op het land. Ploegen, zaaien, oogsten. Lange dagen onder de open hemel. In de winter trok hij naar de bossen van Tongeren en Welna.
Daar haalde hij berkentakken om bezems van te maken. Ook maaide hij heide voor boenders, dat zijn grove bezems die gebruikt werden om stallen en erven schoon te vegen. Thuis bonden wij die boenders samen. Eerlijk gezegd dacht ik dan dat het een hoop werk was voor weinig.
Verhuizing naar Norel
Toen ik een jaar of zeven was, trouwde mijn zus Hendrikje met Hendrikus van den Brink. In die tijd ging dat vaak zo: als een meisje zwanger werd, werd er snel getrouwd. Ik herinner mij nog goed dat er ineens veel werd gefluisterd in huis. Niet lang daarna werd de trouwdag vastgesteld.
Het was op 1 april 1871 dat zij trouwden. Na het huwelijk gingen Hendrikje en Hendrikus verderop in het dorp wonen. Voor mij was het vooral spannend dat er een kind zou komen. Hendrikje was immers zwanger en dat betekende dat ik oom zou worden.
Een paar maanden later werd mijn nichtje Aaltje geboren. Zo werd ik voor het eerst in mijn leven oom. Ome Willem. En zeker niet voor de laatste keer. Hendrikje beviel hierna nog eens zeven keer. Al zou meer dan de helft van de kinderen jong overlijden.
Ook mijn broer Albert vond later de liefde. Hij trouwde met Geesje Schakelaar. Zij gingen in Apeldoorn wonen en kregen veel kinderen. Maar ook zij hadden het geluk niet mee. Van de elf kinderen die zij kregen, werden er uiteindelijk maar twee volwassen: Dirk en Tonia. De andere kinderen stierven al als baby. Men zei dat het door de kou en het vocht in hun boerderij kwam, waardoor de kinderen longproblemen kregen.
Na al die veranderingen bleven mijn broertje Hendrik, mijn zusje Teuntje en ik nog thuis wonen bij onze ouders. nouja, thuis… Uiteindelijk verhuisden we naar een klein landhuisje aan de Grindweg aan de Dellerweg in Epe, waar we opnieuw probeerden het leven op te bouwen, maar ook hier leefden we op onvruchtbaar grond. Tja, we waren niet echt voor het geluk geboren.

We mochten nooit over verdriet praten
Het nieuwe huisje knapte we samen op, al bleef het er nat en koud. De wind kwam door de kieren en in de winter was het binnen soms nauwelijks warmer dan buiten. Het was dan ook heel gewoon dat we bijna altijd verkouden waren. De zakdoeken die onze moeder ons gaf, zaten voortdurend vol.
Ik weet nog goed dat mijn zusje Teuntje ziekelijk werd. Het was nog niet eens winter, maar ze moest vreselijk hoesten. Eerst dacht ik dat het wel weer over zou gaan, zoals bij ons allemaal. Maar dat gebeurde niet. Ze werd steeds zwakker en gloeide helemaal.
Op een dag zei mijn moeder dat we niet meer bij haar mochten komen. Dat vond ik vreemd. Ik begreep toen nog niet hoe ernstig het was. Pas later drong het tot mij door dat ze stervende was. Teuntje werd maar zestien jaar oud.
Ik zal die dag nooit vergeten. Het huis was stil, stiller dan ik het ooit had meegemaakt. Mijn moeder huilde zacht en mijn vader zei bijna niets meer. Zoiets blijft een mens bij. En het bleef niet bij dat ene verdriet.
Na die lange koude winter werd in de zomer daarna mijn andere zus, Hendrikje, ziek. Op een frisse en zwaar bewolkte zomerdag kwam mijn zwager Hendrikus langs. Zijn gezicht zei eigenlijk al genoeg. Hij kwam ons vertellen dat Hendrikje was overleden. Ze werd achtendertig jaar oud.
Met Hendrik op pad
School zat er niet in. Dat kostte geld, geld dat wij niet hadden. Ik kan mij nog wel herinneren dat Hendrik een paar keer naar school is geweest. Hij was de slimste van ons. In plaats van school moesten wij werken. Samen met mijn broer Hendrik ging ik vaak het dorp in met een kruiwagen vol wit zand. Dat zand werd gebruikt om vloeren te strooien, klompen te schuren en messen te slijpen. Best belangrijk dus.
We duwden de kruiwagen langs huizen en boerderijen. Soms verkochten we goed. Soms kwamen we met lege handen thuis. Maar ik vond het wel mooi werk. Je kwam bij mensen thuis. Je hoorde verhalen. Je kreeg soms een kop koffie of een stuk brood. Ik praatte graag met mensen. Hendrik was stiller. Die werkte liever gewoon door.
Wat mij altijd opviel
Wat mij als jongen altijd opviel, was hoe hard mensen werkten. Ik zag mannen van vroeg in de ochtend tot laat in de avond ploegen op het land. In de regen, in de kou, in de wind. Mijn vader deed daar net zo hard aan mee. Zijn handen zaten vol eelt en zijn rug stond krom van het werk. En toch bleven we arm. Dat begreep ik nooit.
Mijn vader werd oud. Hij zag er breekbaar uit, maar hij bleef werken zolang hij kon. Tot het moment kwam dat het niet meer ging. Hij was tachtig jaar oud toen hij voorgoed op bed kwam te liggen. Mijn moeder verzorgde hem zo goed als ze kon. Omdat mijn vader niet meer kon werken, moesten Hendrik en ik nu voor het geld zorgen. Het waren zware tijden. In de zomer van 1902 overleed mijn vader, hij werd 81 jaar oud.
In de kerk hoorden we altijd dat werken goed voor je was. Maar voor wie eigenlijk? De mensen om mij heen werkten zich hun hele leven kapot en bleven toch arm. Er waren dagen dat hele gezinnen nauwelijks iets te eten hadden. Zo ging het bij ons ook.
Na de dood van mijn vader bleven we in Norel wonen. Onze plaggenhut hebben we beetje bij beetje opgeknapt, totdat het meer op een klein boerderijtje begon te lijken. Geld hadden we nog steeds niet, maar we kregen hulp van buren en mensen uit de buurt, al hadden die zelf ook weinig.
Gelukkig hadden we wel wat dieren. Geiten die ons melk gaven en kippen voor de eieren. En we hadden een klein hondje waar ik gek mee was. Dat beest liep altijd met mij mee, waar ik ook ging. In moeilijke tijden kan zelfs zo’n dier een mens nog wat vrolijkheid geven.


