Schildering van Dirk Frans Pont
De geschiedenis van Apeldoorn tijdens de Tweede Wereldoorlog kent vele namen, maar één daarvan roept nog altijd discussie op: Dirk Frans Pont. Hij was van december 1942 tot aan de bevrijding burgemeester van Apeldoorn. Zijn leven laat zich moeilijk in eenvoudige termen vatten. Pont was jurist, bestuurder, militair vrijwilliger aan het Oostfront, NSB-politicus en tegelijkertijd een eigenzinnige man die geregeld botste met zowel zijn partij als met de Duitse bezetter.
Zijn levensverhaal voert van de Zaanstreek naar Leiden, van gemeentebesturen in Noord-Holland naar het front in Rusland en uiteindelijk naar het bezette Apeldoorn. Het is een verhaal van ambitie, overtuigingen, conflicten en keuzes die later grote gevolgen zouden hebben.
Afkomst uit een bestuurdersfamilie
Dirk Frans Pont werd geboren op 4 april 1893 in Zaandam. Hij groeide op in een welgestelde familie. Zijn vader William Pont was directeur van een houthandel en het gezin behoorde tot een geslacht dat al eeuwenlang bestuurders had voortgebracht. In de familiegeschiedenis komen meerdere burgemeesters voor, vooral in steden als Edam, Medemblik en Alkmaar.
Dat bestuurlijke milieu vormde Pont al vroeg. Hij groeide op met het idee dat leiding geven en bestuur een vanzelfsprekend onderdeel van het leven was.
Na zijn middelbare school vertrok hij naar Leiden, waar hij rechten ging studeren. Tijdens zijn studententijd ontwikkelde hij een sterke belangstelling voor politiek en bestuur. Hij werd voorzitter van een studentenvereniging voor politieke discussie en schreef zelfs een brochure over stemplicht op verzoek van de staatsrechtgeleerde professor Hugo Krabbe. Op 16 december 1919 promoveerde Pont in de rechten.
Een jonge burgemeester
Na zijn studie werkte Pont korte tijd bij de Amsterdamsche Bank, maar het bankwezen bleek niet zijn bestemming. Zijn ambitie lag in het openbaar bestuur.
In 1925, op slechts 32-jarige leeftijd, werd hij benoemd tot burgemeester van Uithoorn. Daarmee begon zijn loopbaan als zogeheten carrièreburgemeester.
In Uithoorn liet Pont meteen zien wat voor bestuurder hij was. Hij werkte hard voor zijn gemeente en bemoeide zich intensief met lokale kwesties. Tegelijk stond hij bekend als een autoritaire en eigenzinnige bestuurder. Hij hield ervan zelf de leiding te nemen en raakte gemakkelijk in conflicten.
Na drie jaar volgde promotie. In 1928 werd Pont burgemeester van Hillegom, een grotere gemeente in de Bollenstreek. Daar bleef hij bijna tien jaar.
In Hillegom groeide zijn reputatie als energieke, maar ook moeilijke bestuurder. Pont had uitgesproken politieke ideeën. Hij was kritisch op de parlementaire democratie en sprak in toespraken bewonderend over autoritaire staatsvormen die in Europa opkwamen.
Politieke radicalisering
In de jaren dertig veranderde het politieke klimaat in Europa snel. De economische crisis, politieke spanningen en de opkomst van fascistische bewegingen beïnvloedden ook Pont.
Hoewel hij uit een protestantse familie kwam, was Pont tijdens zijn studententijd overgegaan tot het katholieke geloof, mede door zijn huwelijk met Aleida Cornelia Julia Maria van Ogtrop, dochter van een bankiersfamilie. Toch raakte hij steeds meer gefascineerd door autoritaire politieke ideeën.
In 1937 trad hij toe tot de NSB, de Nationaal-Socialistische Beweging van Anton Mussert. Dat besluit had onmiddellijke gevolgen. Lidmaatschap van de NSB was onverenigbaar met het ambt van burgemeester. Kort na zijn toetreding werd Pont daarom eervol, maar per direct ontslagen als burgemeester van Hillegom. Voor Pont was dat een grote persoonlijke nederlaag.
Politieke carrière binnen de NSB
Pont bleef echter politiek actief. In 1937 werd hij voor de NSB lid van de Eerste Kamer. Dat lidmaatschap duurde slechts enkele maanden. Binnen de partij ontstonden namelijk al snel conflicten. Pont was een man met sterke eigen opvattingen en botste met Mussert over de koers van de partij. Hij vond dat Mussert te zwak optrad tegenover radicale stromingen binnen de beweging. Nog in hetzelfde jaar verliet Pont de NSB weer.
Hij sloot zich vervolgens aan bij Nationaal Front, een andere fascistische beweging onder leiding van Arnold Meijer.
Vrijwilliger aan het Oostfront
Toen Duitsland in mei 1940 Nederland bezette, kwam Pont opnieuw in beeld bij de Duitse autoriteiten. Zijn bestuurlijke ervaring maakte hem interessant voor functies binnen het nieuwe regime. Pont koos echter eerst een andere weg.
In 1941 meldde hij zich aan bij het Nederlands Vrijwilligers Legioen, een eenheid die aan Duitse zijde vocht tegen de Sovjetunie. Hij vertrok naar het Oostfront, waar hij diende in de rang van officier.
Pont was een overtuigd antikbolsjewist. Volgens latere verklaringen heeft hij zelf nooit aan directe gevechten deelgenomen en zou hij nooit een schot hebben gelost. Toch kreeg hij onderscheidingen, waaronder het Kriegsverdienstkreuz met zwaarden en de Ruslandmedaille.
Terugkeer naar Nederland
In 1942 werd Pont teruggeroepen naar Nederland. De Duitse burgerlijke bestuurder Friedrich Wimmer, Generalkommissar für Verwaltung und Justiz, had plannen voor hem. Pont trad opnieuw toe tot de NSB en kreeg een nieuwe kans in het bestuur. Op 30 november 1942 benoemde rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart hem tot burgemeester van Apeldoorn. Op 5 december 1942 werd hij in Den Haag beëdigd.
Burgemeester van Apeldoorn
Apeldoorn was in die jaren een dorp van ongeveer 70.000 inwoners. Tijdens de oorlog groeide dat aantal sterk. Vooral na de Slag om Arnhem in september 1944 stroomden tienduizenden evacués naar de Veluwe. Pont kreeg dus een dorp te besturen dat voortdurend onder druk stond.
Aanvankelijk probeerde hij de Duitse autoriteiten te vriend te houden. Zo bood hij in 1943 zelfs aan dat Friedrich Wimmer tijdelijk kamers in zijn eigen huis kon gebruiken. Dat aanbod werd uiteindelijk niet gebruikt, omdat kasteel Spelderholt beschikbaar kwam.
Brand in het gemeentehuis
Een van de meest opvallende gebeurtenissen tijdens Ponts burgemeesterschap vond plaats in de nacht van 18 op 19 mei 1943. Het Apeldoornse gemeentehuis brandde grotendeels uit.
De bovenverdieping ging volledig verloren. Daarbij werden ook delen van het bevolkingsregister vernietigd. Dat register was belangrijk voor de Duitse administratie van Jodenvervolging en gedwongen arbeid.
In Apeldoorn gingen meteen geruchten rond dat de brand sabotage was. Bewijs daarvoor is nooit gevonden. Dagboekschrijvers noteerden dat veel inwoners zelfs lachend naar de brand keken, terwijl vooral NSB-leden met een zuur gezicht bij de ruïnes stonden.
Omdat ook de burgemeesterskamer was verwoest, verhuisde het gemeentebestuur tijdelijk naar café-restaurant De Poort van Kleef aan de Hoofdstraat. Later verhuisde men naar Loolaan 20.
Pont als bestuurder
Pont bleek in Apeldoorn opnieuw een eigenzinnige bestuurder. Hij was wel NSB-burgemeester, maar geen volgzame partijman. Zowel de Duitse autoriteiten als de NSB-leiding klaagden regelmatig over hem.
Hij werd verweten te weinig enthousiasme voor het nationaal-socialisme te tonen en contacten te onderhouden met mensen die als Oranjegezind bekendstonden.
Pont zelf had weinig met antisemitisme. In 1941 had hij zelfs twee Joodse werknemers in dienst genomen nadat zij door antijoodse maatregelen hun baan hadden verloren. Toch kon hij niets doen tegen de deportaties van Joden uit Apeldoorn.
Gebruik van Joodse huizen
Tijdens zijn burgemeesterschap werden ook ontruimde Joodse woningen gebruikt voor partijgenoten. Zo kreeg de rector van het Apeldoornse gymnasium dr. M.Th. Hillen, een fanatiek NSB’er, via bemiddeling van Pont een woning toegewezen aan de Frisolaan. Het huis was afkomstig uit Joods bezit. De oorspronkelijke bewoners waren ondergedoken. Hun dochters zouden later in Auschwitz worden vermoord.
De razzia’s van 1944
In de nadagen van de oorlog kreeg Pont te maken met Duitse eisen voor arbeidsinzet. Duizenden mannen moesten worden ingezet bij de aanleg van verdedigingswerken langs de IJssellinie. Pont riep de bevolking via radiowagens op zich vrijwillig te melden. Er meldden zich echter slechts 36 mannen. Daarop volgde op 2 oktober 1944 een razzia. Later dat jaar, op 2 december 1944, vond nog een razzia plaats. Veel mannen werden tijdelijk weggevoerd om verdedigingswerken te bouwen.
Conflicten met partijgenoten
Pont raakte regelmatig in conflict met andere NSB’ers. Een voorbeeld is de rector Hillen, die tijdens Dolle Dinsdag op 5 september 1944 was gevlucht. Pont ontsloeg hem daarop op staande voet. Ook met de Duitse autoriteiten had hij spanningen. In september 1944 schreef Pont zelfs een brief aan Seyss Inquart waarin hij vroeg om ontslag uit zijn functie. Dat verzoek werd nooit ingewilligd.
Arrestatie na de bevrijding
Na de bevrijding werd Pont gearresteerd. Op 17 april 1945 namen verzetsgroepen en politie hem gevangen. Hij werd berecht wegens collaboratie en veroordeeld tot drieënhalf jaar gevangenisstraf. Daarnaast verloor hij zijn kiesrecht en mocht hij geen openbare functies meer bekleden.
Zijn dienst in het Vrijwilligerslegioen werd gezien als dienst in vreemde krijgsdienst. Daardoor verloor hij aanvankelijk zelfs zijn Nederlanderschap. Dat kreeg hij pas in 1953 terug.
Laatste jaren
Na zijn vrijlating in 1948 leefde Pont grotendeels buiten de publieke aandacht. Hij kampte met gezondheidsproblemen, onder meer hartklachten. Pont overleed op 14 februari 1963 in Hilversum, 69 jaar oud. Zijn vrouw Aleida van Ogtrop overleed twintig jaar later, in 1983.




