De Grote Velderslaan
Aan de oostkant van Apeldoorn, langs de Zutphensestraat en recht tegenover Groot Schuylenburg, lag jarenlang een buurt die voor veel Apeldoorners bijna een wereld op zichzelf was. Daar lagen de Grote Velderslaan en de Kromme Velderslaan, twee wegen die ooit begonnen tussen weilanden, sloten en zandpaden, ver van het nette stadsbeeld dat men graag liet zien. Wie vanuit deze buurt naar de stad wilde, reed eerst via de Grote Velderslaan naar de Zutphensestraat. De Kromme Velderslaan lag nog verder achteraf, een weg die als het ware uit het land opdook en in een bocht uitkwam op de Grote Velderslaan.
Het was een plek die bewust zo gekozen was. Niet voor de gegoede burgerij, niet voor mensen die in het centrum een nieuw huis zochten, maar voor gezinnen die volgens de overheid extra begeleiding nodig hadden of die in de stad moeilijk hun plek vonden. Dat klinkt vandaag hard, en dat was het toen ook. De buurt droeg al vroeg het stempel van een buitengebied voor mensen die men liever op afstand hield.
Een vergeten hoek van Apeldoorn
Voor de nieuwbouw begon, was dit gebied een klein agrarisch lint. Er stonden vierentwintig oude boerderijtjes, vaak klein, verouderd en omringd door schuurtjes, moestuinen en stukken grond. Het landschap was open, nat en landelijk. Hier en daar een sloot, een zandweg, een hek, een schuurtje met golfplaten. Het was een plek waar de tijd nog traag leek te bewegen.
Na de oorlog veranderde de blik op dit soort gebieden. Er moest gebouwd worden. Er was woningnood, er waren gezinnen die ondergebracht moesten worden en de gemeente zocht naar plekken waar snel en doelgericht kon worden ingegrepen. Het gebied aan de Velderslanen werd opengebroken en opnieuw ingericht.
De eerste huizen aan de Grote Velderslaan
De eerste grote bouwstap kwam in 1950. Woningbouwvereniging De Goede Woning schreef de bouw uit van dertig woningen aan de Grote Velderslaan. In het bestek stonden twee mogelijkheden. Of men koos voor stalen ramen en deuren met betonnen trappen en vloeren, of men ging voor een volledig houten uitvoering.
Tientallen aannemers schreven in, wat laat zien hoe serieus de uitbreiding werd genomen. Uiteindelijk verrezen er vrijstaande woningen die eenvoudig en nuchter oogden. Geen sierlijke details, geen luxe, maar functionele huizen met ruimte eromheen en veel groen. De bewoners moesten ook veel zelf doen. Onderhoud hoorde er gewoon bij.
Met deze eerste bouwgolf werd de Grote Velderslaan een soort vooruitgeschoven rand van Apeldoorn. Toch bleef het gevoel overheersen dat je hier nog altijd buiten de stad woonde. De weilanden lagen vlakbij, de wegen waren niet druk bebouwd en het buitengevoel verdween nooit helemaal.
De Kromme Velderslaan volgt
Bijna tien jaar later, in 1960, werd ook de Kromme Velderslaan volgebouwd. Daar kwamen dertig eenvoudige woningen in rijtjes, gegroepeerd in blokken van vier aaneen. Het verschil met de vrijstaande huizen aan de Grote Velderslaan was duidelijk. Deze woningen waren soberder, compacter en praktischer opgezet.
De voortuintjes waren klein, de schuren eenvoudig en de achteruitgangen puur bedoeld voor gebruiksgemak. Ook hier koos men voor stalen kozijnen en deuren. Dat had niet alleen met duurzaamheid te maken. Men was bang dat houten onderdelen anders uit de woningen zouden verdwijnen om als brandhout in de kachel te belanden. Alleen dat detail zegt al veel over hoe er door beleidsmakers naar de toekomstige bewoners werd gekeken.
De woningen in de Velderslanen waren immers bedoeld voor wat destijds zonder veel schroom asociale gezinnen werden genoemd. Een hard, neerbuigend woord, dat in die jaren door instanties en overheden zonder blikken of blozen werd gebruikt. Wie er woonde, droeg dat etiket mee, of het nu terecht was of niet.
Eerst een buurthuis, dan pas de rest
Nog voordat de tweede bouwgolf klaar was, kreeg de buurt al een plek die voor veel bewoners van onschatbare waarde zou worden. In de zomer van 1958 verrees het buurthuis dat later bekend werd als Vevo.
Dat gebouw kwam er niet zomaar. Buitenlandse studenten en jonge vrijwilligers kwamen vier weken naar Apeldoorn op uitnodiging van kerkelijke jeugdorganisaties. Zij hielpen mee bouwen, sliepen en aten bij boeren in de omgeving en werkten samen met buurtbewoners. Er werd geld ingezameld, materiaal geregeld en een hervormde stichting maakte het terrein bouwrijp met steun van de gemeente.
Na die zomer maakten plaatselijke vaklieden en vrijwilligers het gebouw wind en waterdicht. Zo ontstond er midden in een kwetsbare buurt een ontmoetingsplek waar gespeeld, gepraat, geholpen en opgevangen kon worden.
Vevo werd het kloppend hart van de buurt. Daar konden peuters terecht, kinderen knutselen, jongeren elkaar ontmoeten en volwassenen aankloppen met vragen of zorgen.
Een buurt waar de deur altijd openstond
Wie alleen naar beleidsstukken of krantenberichten van toen kijkt, ziet vooral etiketten, zorgen en problemen. Wie naar de mensen zelf kijkt, ziet iets heel anders. In de Velderslanen ontstond namelijk in korte tijd een hechte buurt waar de deuren vaak openstonden.
Achternamen als Sangers, Bakker, Bluemink, Bornebroek, Holdijk, Krediet, Kwappenberg, Van Ommeren, Sneller, Terwel, Steenvoort en Van de Pol werden bekende namen in de omgeving. Men kende elkaar, hield elkaar in de gaten en sprong bij wanneer dat nodig was.
Kinderen werden over en weer opgevangen. Gereedschap werd geleend. Fietsen werden op straat gerepareerd. Kleine verbouwingen deed men samen. Met mooi weer stonden de klapstoelen buiten, werd er koffie gezet, ging er een fles bier rond en zat er altijd wel iemand op de stoep of in de deuropening. Voor de kinderen kwam er een teil met water op de stoep en de straat veranderde haast vanzelf in een verlengstuk van de woonkamer.
Dat soort taferelen gaf de buurt warmte. Niet omdat alles makkelijk was, maar juist omdat men op elkaar aangewezen was.
De winkels en vaste plekken in de buurt
Het dagelijkse leven speelde zich af rond een paar vertrouwde adressen. Kinderen liepen graag naar de snoepwinkel van Keereweer. Daar werd met een paar centen al een hele wereld gekocht, van kauwgom en zuurstokken tot drop en pepermunt.
Tegenover die winkel lag CafƩ De Rustende Jager, een plek waar veel vaders regelmatig te vinden waren. Er werd gepraat, gedronken, gelachen en ook flink gemopperd. Daarnaast zat de kruidenierswinkel van Bomhof. Op de hoek van de Grote Velderslaan en de Zutphensestraat bevond zich bovendien de kruidenierszaak van Jan ter Horst. Aan de overzijde van de Zutphensestraat zat dan weer kruidenier Kamstra.
Het waren kleine, overzichtelijke punten in het leven van alledag, maar voor bewoners vormden ze de vaste ankers van de buurt.
Vrijheid voor kinderen, spanning voor jongeren
Veel oud bewoners kijken terug op een jeugd met een grote mate van vrijheid. Kinderen liepen buiten tot het donker werd, vingen kikkervisjes in de sloot, bouwden hutten in het land en maakten hele middagen vol zonder dat er iemand voortdurend over hun schouder meekeke.
Tegelijk bracht die nabijheid ook spanning met zich mee. Als jongeren ruzie kregen, trokken ze geregeld in losse groepjes op. Een knokpartij was niet ongewoon. De energie in de buurt was groot en moest ergens heen.
Juist daarom was Vevo zo belangrijk. Overdag waren er peuteruurtjes en knutselmiddagen. Later op de dag liep men binnen voor een praatje of voor hulp van maatschappelijk werker Van de Vaart. In de avond vulden kaartavonden, bingo en een jeugdsoos het programma. Op warme dagen bleven de deuren openstaan en liepen gesprekken van binnen gewoon door naar buiten.
De route naar school door de weilanden
De kinderen uit de buurt gingen naar de Woudhuisschool aan de Lupineweg. Dat was een kleine school met ongeveer dertig leerlingen in totaal. Klassen werden vaak samengevoegd, zodat ƩƩn leerkracht meerdere leerjaren tegelijk lesgaf. Dat gaf de school iets intiems en landelijks.
De weg ernaartoe was eenvoudig en bijzonder tegelijk. Er liep maar ƩƩn smal paadje door de weilanden en als je dat volgde, was je er zo. Voor kinderen was dat pad een vast onderdeel van de dag. Door weer en wind, langs gras, sloten en modder, richting school.
In de klas draaide het onderwijs om de basis. Lezen, hardop voorlezen, spelling, dictee, netjes schrijven met kroontjespen of vulpen en veel hoofdrekenen. Geschiedenislessen brachten vaderlandse verhalen tot leven. Bij natuurkennis ging het over planten, dieren en het boerenland rond de school. Daarnaast was er ruimte voor tekenen, handenarbeid, zingen en gymnastiek op het plein of in het speellokaal. Huiswerk bestond meestal uit leeslijstjes, tafels stampen en netjes schrijven. Twee keer per jaar kwam het rapport mee naar huis.
Bijnamen die bleven hangen
Zoals zoveel buurten die door buitenstaanders met argwaan werden bekeken, kreeg ook deze wijk al snel allerlei bijnamen opgeplakt. Men sprak over de rode daken, over de Kromme Hoek, maar vooral over het IJzeren Gordijn.
Die bijnaam verwees naar de ijzeren deurposten en stalen binnendeuren in de huizen. In de volksmond dook ook de naam Klein Korea op, een benaming die in die tijd vaker opdook voor buurten die als ruig, arm of afgelegen golden.
Zoān bijnaam bleef kleven. Soms met een lach, vaak met een steek van minachting. Voor bewoners was het een mengeling van spot, trots en ergernis.
Achterstelling, muizen en improviseren
Buiten de buurt was het vertrouwen in de bewoners vaak gering. Leveranciers weigerden soms om grote bestellingen helemaal tot aan de voordeur te brengen. Men was bang voor wanbetaling of gedoe. Dat gevoel van achterstelling zat diep.
Ondertussen kampte de buurt ook echt met problemen. Muizen en ratten waren geen onbekenden. Huizen waren vochtig, tochtig en slecht onderhouden. Stank en kou werden vaak met noodoplossingen bestreden. Op een gegeven moment opperde de gemeente zelfs om kruipruimtes met zand te vullen, alsof dat de problemen werkelijk zou oplossen. Bewoners waren woedend, want zij wilden een echte aanpak.
Dus deed men veel zelf. Een raam vervangen, een hek repareren, een kachel via via regelen, een deur tijdelijk dichtmaken. In die nood groeide ook een soort vindingrijkheid. Men redde zich, vaak samen.
En ondanks alles bleef er gezelligheid. Venters kwamen langs, vrienden en bekenden liepen in en uit en zelfs midden in de nacht kon je bij de buren aankloppen.
Het eigen ritme van de zaterdag
Op zaterdag hing er een heel eigen sfeer in de wijk. Dan kwamen de krantenjongens langs om de bladen rond te brengen, want op vrijdag was het loon uitbetaald en er was contant geld in huis. Dat gaf de buurt even lucht.
Ook de vaste figuren van de wijk hoorden bij dat ritme. Namen als Knake Willy, Polletje en Jo Eilander riepen direct verhalen op. Bijna iedereen wist wie ermee bedoeld werd.
Er waren ook de bijna ongelooflijke taferelen die later legendarisch werden. Zo woonde er een gezin dat een geit in de badkamer hield. Het geblaat klonk door de dunne muren heen en leverde zowel gelach als gemopper op.
Sommige vaders uit andere delen van Apeldoorn reden zelfs met hun kinderen rond om naar de zogenoemde asociale mensen te kijken. Voor bewoners voelde dat vernederend, alsof zij een soort attractie waren. Nog vervelender waren jongeren van buiten die het stoer vonden om met brommers en crosautootjes door de lanen te scheuren.
De gevaarlijke uitweg naar de Zutphensestraat
Wie in de Velderslanen woonde, wist dat de route naar buiten riskant was. Vanuit de Kromme Velderslaan moest je eerst de bocht nemen naar de Grote Velderslaan en daarna de drukke Zutphensestraat op. Daar werd hard gereden en met fietsers of voetgangers werd lang niet altijd rekening gehouden.
Die verkeerssituatie drukte zwaar op de buurt.
In 1961 ging het al mis toen een automobilist de bocht tussen de lanen miste en in een houten woning aan de Grote Velderslaan tot stilstand kwam. De bestuurder had geen rijbewijs en de auto was niet in orde. Hij kreeg uiteindelijk een week gevangenisstraf.
Nog tragischer was het ongeluk in 1963 waarbij de negenenzeventigjarige Gerrit Buitenhuis om het leven kwam na een botsing op de Zutphensestraat, komende vanaf de Grote Velderslaan.
En in 1964 sloeg het noodlot opnieuw toe. De twaalfjarige Gerrie Vos kwam per fiets om het leven toen zij de Zutphensestraat overstak om de Grote Velderslaan in te rijden.
Dat soort gebeurtenissen sloeg in als een bom. In een hechte buurt bleef zoān ongeluk nog jaren in de gesprekken rondzingen. De plek stond lange tijd bekend als een van de gevaarlijkste verkeerspunten van Apeldoorn.
Tijdelijke oplossingen en oud zeer
In 1973 dacht de gemeente opnieuw na over noodhuisvesting in dit randgebied. Er lag een plan voor een streng beheerd terrein dat bereikbaar zou zijn vanaf de Kromme Velderslaan. Met hekken, geasfalteerde paden, goede afwatering en zelfs een beheerder die er zou wonen.
Er werd ook gedacht aan koppeling met een terrein voor auto opslag. Daarnaast kwam het idee van een gemeentelijk stacaravanterrein op tafel, waar jonge gezinnen in nood tijdelijk konden wonen. Huurprijzen werden doorgerekend en regels moesten worden aangepast.
Maar onder bewoners leefde vooral het gevoel dat hun buurt steeds weer met tijdelijke middelen en halve maatregelen werd bediend.
De Landenbuurt en de dode muis
Begin jaren tachtig kwam dezelfde problematiek opnieuw naar boven. De buurt werd in die jaren vaker Landenbuurt genoemd, maar iedereen wist dat het nog steeds om de Velderslanen ging.
Bewoners klaagden opnieuw over muizen die via kieren en kruipruimtes de huizen binnenkwamen. Een boze brief aan de wethouder, met daarin zelfs een dode muis, haalde de krant. Dat gebaar was rauw, maar ook veelzeggend. Het liet zien hoe hoog de frustratie was opgelopen.
Er werd weer gesproken over het dichten van kruipruimtes, betere afwerking, bestrating en voorzieningen. Maar ook toen bleven klachten over slechte wegen, een gebrekkige busverbinding en voorzieningen die te ver weg lagen. Het gevoel achtergesteld te zijn, verdween maar niet.
Wat er nu ligt
In de jaren negentig ging het gebied op in de nieuwe wijk Woudhuis. De namen Grote Velderslaan en Kromme Velderslaan verdwenen en maakten plaats voor Salland en Gaasterland. Een deel van de oude woningen is gerenoveerd, een deel afgebroken en vervangen door nieuwbouw. Veel huizen staan er nog en zelfs sommige families wonen er nog altijd in de buurt, al zeggen zij stuk voor stuk dat ze de oude tijden missen.


